In dit hoofdstuk gaat het minder over theorie en meer over hoe je radio echt gebruikt.
Je leert wat simplex is, wat een repeater doet, waarom er een shift is en hoe je netjes op de band werkt.
Bij simplex praat je rechtstreeks met een ander station.
Jouw radio zendt op dezelfde frequentie waarop de ander luistert. De ander zendt ook weer terug op diezelfde frequentie.
Simplex wordt vaak gebruikt voor lokale contacten, veldwerk, evenementen en directe verbindingen.
Bij duplex gebruik je twee frequenties: één om te zenden en één om te ontvangen.
Dit is nodig bij repeaters. De repeater luistert op de ene frequentie en zendt tegelijk opnieuw uit op een andere frequentie.
Een repeater is een automatisch relaisstation.
Hij ontvangt jouw signaal en zendt dat direct opnieuw uit vanaf een vaak hoge locatie.
Daardoor kun je met een portofoon veel verder komen dan rechtstreeks van portofoon naar portofoon.
Een repeater kan niet goed tegelijk luisteren en zenden op exact dezelfde frequentie.
Daarom zend jij iets hoger of lager dan de frequentie waarop je de repeater hoort.
Dat verschil noemen we de repeatershift.
Vaak 600 kHz verschil.
Vaak 1.6 MHz of 7.6 MHz verschil.
Veel repeaters gaan niet zomaar open. Je radio moet dan een lage toon meesturen.
Die toon heet CTCSS. Je hoort die toon normaal niet, maar de repeater gebruikt hem als herkenning.
Zonder de juiste CTCSS toon hoort de repeater jou vaak wel, maar hij schakelt niet in.
PTT is de knop waarmee je zendt.
Druk de knop in, wacht heel kort, praat rustig, laat daarna de knop los.
Vooral bij repeaters is dat korte wachten belangrijk. Anders valt het eerste woord soms weg.
Een simpele oproep is genoeg.
Of:
Hou het kort en duidelijk. Daarna wacht je of iemand antwoord geeft.
Als radioamateur gebruik je je callsign om jezelf bekend te maken.
Daarmee is duidelijk wie er uitzendt.
Gebruik je callsign netjes bij het begin, tijdens langere gesprekken en aan het einde.
Je locatie.
Storing door andere signalen.
Natuurlijke storing, bijvoorbeeld onweer.
Wie roept mij?
Naar een andere frequentie gaan.
Groeten.
Radioamateurs geven vaak een rapport. Daarmee zeg je hoe sterk en duidelijk iemand binnenkomt.
Bij spraak hoor je vaak rapporten zoals:
De 5 staat voor verstaanbaarheid. De 9 staat voor signaalsterkte.
Veel radio's hebben een S-meter.
Die geeft ongeveer aan hoe sterk een signaal is.
S1 is zwak. S9 is sterk. Alles boven S9 wordt vaak aangegeven als +10 dB, +20 dB enzovoort.
Controleer of de frequentie vrij is voordat je gaat zenden.
Laat ruimte voor anderen, vooral op repeaters.
Zend geen muziek of rare geluiden uit.
Ook als iemand zich niet netjes gedraagt.
Een portofoon is handig, maar heeft beperkingen.
De kleine antenne, lage hoogte en gebouwen om je heen beperken het bereik.
Buiten, hoger staan of een betere antenne gebruiken kan veel verschil maken.
Een mobiele set in de auto heeft vaak meer vermogen en een betere antenne dan een portofoon.
Daardoor kom je meestal verder.
Let wel op goede montage, voeding, zekering en veilige bediening tijdens het rijden.
Een basisstation staat thuis of in een shack.
Met een goede buitenantenne, nette coax en goede voeding kun je uitstekende verbindingen maken.
De antenne-installatie bepaalt vaak meer dan de radio zelf.
Veel radioamateurs houden een logboek bij.
Daarin noteer je bijvoorbeeld:
Voor sommige verbindingen en awards is een goed logboek handig.
Simplex is rechtstreeks contact op één frequentie.
Repeaters gebruiken twee frequenties en vaak een CTCSS toon.
In de praktijk zijn goed luisteren, netjes roepen, je callsign gebruiken en rustig werken erg belangrijk.
Rechtstreeks zenden en ontvangen op één frequentie.
Zenden en ontvangen op verschillende frequenties.
Ontvangt een signaal en zendt het opnieuw uit.
Verschil tussen zend- en ontvangstfrequentie.
Subtoon om een repeater te openen.
Push To Talk, de zendknop.
Meter die signaalsterkte aangeeft.
Naar een andere frequentie gaan.