Propagatie betekent: hoe een radiosignaal zich verplaatst.
Soms komt een signaal maar een paar kilometer ver. Soms vliegt hetzelfde vermogen ineens de halve wereld over.
Dat komt door frequentie, antennehoogte, terrein, weer, zonactiviteit en de ionosfeer.
Een grondgolf volgt gedeeltelijk het aardoppervlak.
Dit werkt vooral goed op lagere frequenties. Hoe hoger de frequentie, hoe minder goed de grondgolf meestal werkt.
Op middengolf en lagere HF banden kan grondgolf belangrijk zijn.
Op VHF en UHF gedragen radiosignalen zich vaak ongeveer als licht.
Dat betekent: hoe vrijer het zicht tussen antennes, hoe beter de verbinding.
Gebouwen, heuvels, bomen en staalconstructies kunnen het signaal verzwakken.
Geeft meer bereik omdat je verder over obstakels heen komt.
Heeft sneller last van huizen, bomen en terrein.
De ionosfeer is een laag hoog in de atmosfeer. Door zonlicht worden daar deeltjes elektrisch geladen.
Sommige radiosignalen kunnen door de ionosfeer worden teruggebogen naar de aarde.
Daardoor kun je op HF verbindingen maken over honderden of duizenden kilometers.
Skip betekent dat een radiosignaal via de ionosfeer terugkomt op een plek verderop.
Tussen je eigen station en dat punt kan een gebied liggen waar je het signaal juist niet hoort.
Dat gebied noemen we de skipzone.
Signaal komt relatief dichtbij terug.
Signaal komt veel verderop terug.
Signaal kan meerdere keren tussen aarde en ionosfeer kaatsen.
De zon heeft veel invloed op propagatie.
Meer zonactiviteit kan hogere HF banden openen, waardoor DX makkelijker wordt.
Maar te veel activiteit kan ook storing veroorzaken, zoals ruis, fading of zelfs een radio black-out.
Zonnevlekken zijn gebieden op de zon met sterke magnetische activiteit.
Bij meer zonnevlekken is de kans groter dat hogere HF banden, zoals 10 meter en soms 11 meter, mooi open gaan.
Fading betekent dat een signaal sterker en zwakker wordt.
Je hoort iemand dan soms hard binnenkomen, daarna zakt het signaal ineens weg.
Dit gebeurt vaak bij signalen die via de ionosfeer reizen.
Een dode zone is een gebied waar je een station niet hoort, terwijl stations verder weg het signaal wel kunnen horen.
Dit komt door de hoek waarmee het signaal de ionosfeer raakt en waar het weer op aarde terugkomt.
Sporadic-E is een vorm van propagatie waarbij losse wolken van geïoniseerd materiaal signalen terugkaatsen.
Dit kan plotseling ontstaan en ook zomaar weer verdwijnen.
Vooral op 10 meter, 6 meter, 11 meter en soms 2 meter kan dit spectaculaire verbindingen opleveren.
Tropo ontstaat door bijzondere omstandigheden in de onderste luchtlagen.
Vooral op VHF en UHF kunnen signalen dan veel verder komen dan normaal.
Dit gebeurt vaak bij rustig weer, temperatuurinversie of hogedrukgebieden.
Kan bij tropo veel verder komen dan normaal.
Ook gevoelig voor tropo-openingen.
Radiosignalen kunnen weerkaatsen tegen gebouwen, bergen, vliegtuigen of lagen in de atmosfeer.
Een signaal kan gedeeltelijk om obstakels heen buigen. Lagere frequenties doen dit meestal beter.
Kan via de ionosfeer enorme afstanden halen.
Meestal lokaal of regionaal, maar soms tropo of Sporadic-E.
Vaak lokaal, geschikt voor repeaters, portofoons en satellieten.
Propagatie verandert tussen dag en nacht.
Sommige lagere HF banden werken 's avonds en 's nachts beter. Hogere HF banden werken vaak beter overdag wanneer de zon actief is.
Daarom kan een band overdag dood lijken, maar 's avonds ineens vol signalen zitten.
Ook seizoenen hebben invloed.
Sporadic-E komt bijvoorbeeld vaker voor in bepaalde periodes van het jaar.
Tropo komt vaak voor bij stabiel weer en temperatuurverschillen in de luchtlagen.
Propagatie leer je niet alleen uit een boek. Je leert het vooral door te luisteren.
Zet de radio aan, kijk naar WebSDR's, volg DX clusters en luister hoe banden veranderen.
Na een tijdje ga je patronen herkennen. Dan weet je wanneer een band kansrijk is.
Propagatie bepaalt hoe ver je radiosignaal komt.
HF kan via de ionosfeer wereldwijd gaan. VHF en UHF werken meestal meer via zichtverbinding, maar kunnen bij tropo of Sporadic-E verrassend ver komen.
Zonactiviteit, weer, tijdstip, seizoen en frequentie maken allemaal verschil.
De manier waarop radiosignalen zich verplaatsen.
Laag hoog in de atmosfeer die HF signalen kan terugbuigen.
Signaal dat via de ionosfeer verderop terugkomt.
Het sterker en zwakker worden van een signaal.
Plotselinge reflectie via geïoniseerde wolken in de E-laag.
Extra bereik door bijzondere omstandigheden in de onderste luchtlagen.
Tekens van zonneactiviteit die HF propagatie beïnvloeden.
Rechtstreekse verbinding zonder grote obstakels ertussen.