Radio werkt met elektromagnetische golven. Dat zijn golven die zich door de ruimte kunnen verplaatsen zonder draad.
Een zender maakt zo'n golf. Een antenne straalt die golf uit. Een andere antenne vangt de golf weer op.
De ontvanger zet het radiosignaal daarna weer om naar geluid, data of beeld.
Frequentie betekent hoe vaak iets per seconde trilt.
Bij radio gaat het om het aantal trillingen van de radiogolf per seconde.
Hoe hoger de frequentie, hoe vaker de golf per seconde trilt.
Hertz. Eén trilling per seconde.
Kilohertz. Duizend Hertz.
Megahertz. Eén miljoen Hertz.
Gigahertz. Eén miljard Hertz.
1000 Hz = 1 kHz
1000 kHz = 1 MHz
27.555 MHz is hetzelfde als 27555 kHz.
Golflengte is de afstand tussen twee gelijke punten van een radiogolf.
Bijvoorbeeld van de top van de ene golf naar de top van de volgende golf.
Golflengte en frequentie horen bij elkaar. Een hoge frequentie heeft een korte golflengte. Een lage frequentie heeft een lange golflengte.
300 / 145 MHz ≈ 2 meter
300 / 433 MHz ≈ 0.70 meter
300 / 27 MHz ≈ 11 meter
Antennes worden vaak gemaakt op basis van golflengte.
Een halve golf antenne op 2 meter is dus ongeveer 1 meter lang. Een kwart golf antenne op 27 MHz is ongeveer 2.75 meter lang.
Daarom zijn antennes voor lage frequenties vaak veel groter dan antennes voor hoge frequenties.
Om orde te houden zijn frequenties verdeeld in banden. Elke band heeft zijn eigen eigenschappen.
Sommige banden zijn geschikt voor wereldwijde verbindingen. Andere banden zijn vooral handig voor lokaal verkeer.
3 tot 30 MHz. Vaak geschikt voor verre verbindingen via de ionosfeer.
30 tot 300 MHz. Vaak lokaal en regionaal gebruik. Bijvoorbeeld 2 meter.
300 MHz tot 3 GHz. Vaak korte afstand, repeaters, portofoons en satellieten.
Rond 27 MHz. Bekend van CB en DX verkeer.
Rond 28 MHz. Amateurband met mooie DX kansen.
144 tot 146 MHz. Veel gebruikt voor lokale contacten en repeaters.
430 tot 440 MHz. Veel gebruikt voor repeaters, portofoons en experimenten.
Niet elke frequentie gedraagt zich hetzelfde.
Lage frequenties kunnen soms verder reizen, buigen beter om obstakels heen en kunnen via de ionosfeer terugkaatsen.
Hogere frequenties gedragen zich meer als licht. Ze gaan vaak rechteruit en hebben sneller last van gebouwen, heuvels of bomen.
Grotere antennes. Vaak betere buiging. Soms geschikt voor lange afstanden.
Kleinere antennes. Vaak meer zichtverbinding. Handig voor portofoons en repeaters.
Bandbreedte is de ruimte die een signaal inneemt op de frequentieband.
Een smal signaal neemt weinig ruimte in. Een breed signaal neemt meer ruimte in.
Daarom is netjes afstellen belangrijk. Een te breed signaal kan storing veroorzaken bij anderen.
Zeer smal signaal.
Smal spraaksignaal.
Breder dan SSB. Veel gebruikt lokaal.
Een harmonische is een ongewenst signaal op een veelvoud van de oorspronkelijke frequentie.
Zend je bijvoorbeeld op 145 MHz, dan kan een tweede harmonische rond 290 MHz ontstaan.
Goede zenders gebruiken filters om harmonischen te onderdrukken. Zo voorkom je storing buiten je eigen frequentie.
Een zender moet netjes op frequentie blijven.
Als een zender wegloopt, komt het signaal langzaam naast de juiste frequentie te staan.
Dat is vooral vervelend bij smalle modes zoals SSB, CW en digitale modes.
Frequentie geeft aan hoe vaak een radiogolf per seconde trilt.
Golflengte is de lengte van één golf. Hoe hoger de frequentie, hoe korter de golflengte.
De frequentie bepaalt voor een groot deel hoe een radiosignaal zich gedraagt en welke antenne je nodig hebt.
Aantal trillingen per seconde.
Eenheid van frequentie.
Afstand van één volledige golf.
Ruimte die een signaal inneemt.
3 tot 30 MHz.
30 tot 300 MHz.
300 MHz tot 3 GHz.
Ongewenst signaal op een veelvoud van de zendfrequentie.