Een zender maakt een draaggolf. Dat is een radiosignaal op één frequentie. Maar alleen een draaggolf zegt nog niets.
Om spraak, morse of data mee te sturen, moet je die draaggolf veranderen. Dat veranderen noemen we modulatie.
De draaggolf is het radiosignaal dat wordt uitgezonden. Je kunt het zien als de “drager” van je informatie.
Bij modulatie verander je iets aan die draaggolf: de sterkte, de frequentie of de fase.
De ontvanger haalt daarna de informatie weer uit het radiosignaal. Dat heet demoduleren.
Bij AM verander je de sterkte van de draaggolf. De frequentie blijft hetzelfde, maar de amplitude gaat op en neer met je stem.
AM is een oudere modulatievorm, maar wordt nog steeds gebruikt op onder andere luchtvaart en de 11 meter band.
Simpel te ontvangen en historisch veel gebruikt.
Gevoeliger voor storing en minder efficiënt dan SSB.
Bij FM blijft de sterkte van het signaal ongeveer gelijk, maar de frequentie wijkt heel klein beetje af met je stem.
FM klinkt vaak helder en rustig. Daarom wordt FM veel gebruikt voor portofoons, lokale verbindingen en repeaters.
Goede geluidskwaliteit en minder last van ruis bij sterke signalen.
Neemt meer bandbreedte in dan SSB of CW.
SSB is eigenlijk een slimme vorm van AM. Bij gewone AM heb je een draaggolf en twee zijbanden. Bij SSB wordt de draaggolf onderdrukt en blijft maar één zijband over.
Daardoor gaat meer energie naar de spraak zelf. SSB gebruikt minder bandbreedte en is veel efficiënter.
Upper Side Band. Vaak gebruikt boven 10 MHz.
Lower Side Band. Vaak gebruikt onder 10 MHz.
Ideaal voor DX, HF en verbindingen met weinig vermogen.
CW gebruikt morsecode. De zender schakelt de draaggolf aan en uit. De korte en lange tonen vormen letters en cijfers.
CW is smal, efficiënt en kan met weinig vermogen enorme afstanden halen.
Werkt goed bij zwakke signalen.
Je moet morse kunnen lezen en seinen.
Bij digitale modes wordt informatie als digitale data verzonden. Dat kan tekst, positie, spraak of meetinformatie zijn.
De computer of radio zet die data om naar een radiosignaal. De ontvanger zet het signaal daarna weer terug naar leesbare informatie.
Zeer populair voor zwakke signalen en DX.
Oudere digitale tekstmode.
Wordt gebruikt voor positie, korte berichten en telemetrie.
Digitale spraak via portofoons en repeaters.
Niet elke mode neemt evenveel ruimte in op de band. Hoe breder het signaal, hoe meer kans dat je anderen stoort.
Zeer smal.
Smal digitaal signaal.
Ongeveer 2,4 tot 3 kHz.
Breder dan SSB, vooral bij spraak via repeaters.
Overmodulatie ontstaat wanneer je een zender te hard aanstuurt. Bijvoorbeeld door microfoongain te hoog te zetten.
Het gevolg is vervorming, splatter en storing op naastgelegen frequenties.
Een hard signaal is niet hetzelfde als een schoon signaal. Netjes moduleren is belangrijker dan “zo luid mogelijk”.
Demodulatie is het omgekeerde van modulatie.
De ontvanger haalt de spraak, morse of data weer uit het radiosignaal.
Daarom moet je ontvanger op de juiste mode staan. Een SSB signaal klinkt verkeerd als je het in FM probeert te ontvangen.
Vaak FM, vooral op 2 meter en 70 centimeter.
Vaak SSB, CW of digitale modes zoals FT8.
CW en FT8 werken erg goed bij zwakke signalen.
AM, FM en SSB komen daar allemaal voor.
Modulatie is het meegeven van informatie aan een radiosignaal.
AM verandert de sterkte, FM verandert de frequentie, SSB gebruikt één zijband en CW schakelt de draaggolf aan en uit.
De juiste mode kiezen is belangrijk voor bereik, geluidskwaliteit, bandbreedte en storingsvrij werken.
Het radiosignaal waarop informatie wordt gezet.
Informatie toevoegen aan een radiosignaal.
Informatie weer uit een radiosignaal halen.
Amplitude modulatie.
Frequentie modulatie.
Single Side Band.
Morse via aan/uit schakelen van de draaggolf.
Te hard aansturen waardoor vervorming en storing ontstaat.